Echte bomen, juni 2021

Op zaterdagmiddag gaan we anker op en zetten koers naar Amerika. We zouden heel graag rechtstreeks naar Norfolk in Virginia willen varen, maar dat zal iets te hoog gegrepen zijn. De gunstige wind is er maar vijf dagen en Norfolk is ongeveer 750 mijlen vanaf West End, Grand Bahama. Met onze kruissnelheid van gemiddeld 100 mijl per etmaal lijkt dat dus niet haalbaar. De tweede optie is Beaufort in North Carolina. Voor vertrek heb ik alle mogelijke steden aan de oostkust van de USA waar we kunnen inklaren gemarkeerd op de kaart. Zo hebben we voor alle mogelijke weer-scenario’s een (hopelijk) veilige uitwijkmogelijkheid.

We vertrekken samen met SY Freydis. Paula en Jim, een gezellig Schots-Australisch stel, kennen we al vanaf Bonaire en komen we her en der weer tegen. We hebben afgesproken dagelijks radiocontact te hebben via de ssb-zender. Zij vertrekken een uurtje na ons. Maar al voor het vallen van de avond liggen ze met hun snelle schip en fraaie oranje lichtweerzeil vele mijlen voor ons. Ze varen ook een iets andere koers, wat meer ten oosten van ons.

Wij proberen zo snel mogelijk in de Golfstroom terecht te komen. De Golfstroom is een stroming van warm zeewater vanuit de Caribische Zee en de Golf van Mexico langs de oostkust van de USA naar het noorden, welke zo ergens ter hoogte van Cape Hatteras (zo’n beetje ter hoogte van Norfolk) afbuigt naar de Atlantische Oceaan richting Europa. Met stromingssnelheden van 2 tot 3 knopen, die volgens de geleerden zelfs kunnen oplopen tot 5 knopen. Van zuid naar noord. En dat is ook de koers die wij gaan zeilen. De Golfstroom moet op deze tocht dus een mooi cadeautje van Neptunus worden.

In de nacht trekt de wind, die in de middag nog zwak was en van opzij kwam, wat aan en verandert van richting. Inmiddels varen we ‘voor de wind’, maar er is nog wel flinke deining van opzij. Nu is de eerste nacht sowieso vaak onrustig omdat je nog niet in het ritme van onregelmatige slaap en een varende boot zit. Maar gedurende deze nacht is het ook nog eens heel veel geschommel. Pas als de zon weer opkomt zijn we goed ingeslingerd en loopt ons meisje heerlijk. Het slaapgebrek halen we overdag wel weer in. De Golfstroom zorgt voor ongekende snelheden. De dagen rijgen zich aaneen. De nachten verlopen soepel, met weinig wind en wat uurtjes motorzeilen. Zowel overdag als s’nachts is het lekker warm en de bliksemflitsen die ik tijdens mijn nachtwachten zie zijn gelukkig heel ver weg. Op één van de dagen hebben we een gast aan boord. In de vorm van een klein schattig vogeltje, een soort zeezwaluw. Ze is vermoeid van een lange reis en gebruikt de HM als rustplaats. We strooien wat broodkruimels op het dek en leggen een plakje kaas op het zonnepaneel waar ze telkens op landt. Maar als dat transformeert in kaasfondue ruimen we dat toch maar weer gauw op. We genieten. Na de tweede dag is er reden tot een feestje. Niet met een biertje of wijntje, want onderweg zijn houdt in: geen alcohol. Maar dat mag de pret niet drukken want we hebben ons dagrecord met heel veel mijlen verbroken: 191 mijlen in 24 uur, dat is gemiddeld net geen 8 knopen. Hoe is het mogelijk?! Woehoe! We racen naar Amerika! Die Golfstroom doet het goed! We hebben zelfs 40 mijl ingehaald op de achterstand die we hebben op SY Freydis. En we beginnen nu een heel klein beetje te hopen op toch Norfolk als einddoel.

Tijdens onze dagelijkse gesprekjes met Jim en Paula checken we het weer. Zij hebben een satelliettelefoon en halen via dat medium het actuele weer op. Wij halen zelf ook dagelijks de weerberichten op via de ssb-zender, maar het is fijn om bevestiging van je eigen bevindingen te krijgen. Er lijken de eerste dagen geen vervelende depressies en thunderstorms op komst. SY Freydis is op dag vier al zowat in Norfolk als wij de beslissing durven te nemen om de riviermonding naar Beaufort voorbij te varen. We denken Cape Hatteras, waar het nog wel eens kan spoken, veilig te kunnen ronden voor het laatste deel van het traject naar Norfolk. Helaas zit zoals zo vaak het venijn in de staart. Cape Hatteras zijn we al voorbij. Dan lijkt het op zo’n lang traject waar die kaap een belangrijke hobbel in is, alsof je er al bijna bent. Maar het is vanaf de kaap toch nog ongeveer 125 mijl en dus nog meer dan een etmaal varen. Wel is dit dan toch echt de (voorlopig) laatste avond en nacht op zee. Ik duik rond 19.00 uur de kajuitbank op, Koen loopt wacht. Ik doezel wat weg. Heel in de verte hoor ik wat geluiden van buiten, maar het dringt niet echt tot me door. We hellen flink en ik rol helemaal tegen de rugleuning van de bank aan. Dan hoor ik meer gestommel, open mijn ogen en zie ik Koen binnen druk bezig. Hij hangt de kajuitdeurtjes in de ingang. Ik hoor de wind gieren. En bijna meteen daarna harde donderklappen. Ik steek mijn hoofd toch ook maar even naar buiten. Donder en bliksem en hevige windvlagen. Gelukkig zag Koen het aankomen.
Nog net voor het donker kwam een dreigende zwarte wolkenpartij op ons af. Koen heeft direct de zeilen gereefd (kleiner gemaakt). En dat zorgt er nu voor dat we, alhoewel flink hellend omdat we behoorlijk scherp aan de wind zeilen, veilig door de stekelige grijze golven klieven. Wat blijft zijn de oorverdovende botsingen van donderwolken, soms wel héél snel gevolgd door akelige lichtflitsen. En een complete wolkbreuk met bakken regenwater die over ons uitgestort worden. De wind giert met meer dan 30 knopen rond de mast. Ik word hier op z’n zachtst gezegd een beetje onrustig van. Maar we kunnen niet anders dan door. Na een dik uur is het ergste voorbij en blijft alleen de regen over. En kan ik eindelijk, mijn slaapdienst is inmiddels al half voorbij, proberen nog een tikkeltje slaap te pakken.

In de vroege donderdagochtend roep ik de US Coastguard via de marifoon op om te melden dat we in aantocht zijn. En om permissie te vragen om het land van milk & honey te mogen binnenvaren. Zij geven aan dat we, zodra we geankerd hebben, de CBP Office (Customs and Border Protection) moeten bellen. Tja lieve man, dat gaat niet lukken. We hebben wel een mobiele telefoon, maar geen simkaart waarmee we hier in de States kunnen bellen. Oh… Dat vinden ze blijkbaar lastig. Ik geef nog maar even snel door dat we wel een Amerikaans visum hebben want daar worden die mannen meestal wel blij van. Als ik de registratienummers hiervan heb doorgegeven moet ik ook nog onze volledige namen spellen. Pfff, waar slaat dat nu weer op? Die zien jullie toch vast wel in jullie elektronische systemen bij de visa nummers? Maar dat alles durf ik natuurlijk niet hardop uit te spreken. Uhh… “Koen!” “Waar is het fonetisch alfabet?” Want vanwege de stress van het moment krijg ik natuurlijk niet meer alle letters vloeiend uit de grijze massa opgegraven…

Na een half uurtje worden we weer opgeroepen en blijkt dat de kustwacht een afspraak met CBP voor ons geregeld heeft. Ze komen naar ons toe! Wat een service. Top! Ze zijn om 12.00 uur bij de door ons opgegeven ankerplek in Hampton, een stadje vlakbij bij Norfolk. Tja lieve man, dat gaat niet lukken. We varen op een zeilboot, niet op een motorboot. We varen maar 3 knopen. Want we varen tegen de wind in. Jullie zien toch ook op de AIS wat onze positie is en hoe hard we varen? Maar ook dat laatste spreek ik niet hardop uit. Ik begrijp zulke dingen niet. Soms lijkt het net alsof we de allereerste zeilboot zijn die het land binnenkomen. Maar Columbus was ons hier in ieder geval toch zeker al voor. Gelukkig zijn zowel de Coastguard als CBP flexibel en een afspraak voor 15.00 uur wordt geregeld. Iedereen blij.

De zon staat hoog aan de hemel. Het is warm. We hadden verwacht hier al sweaters en lange broeken nodig te hebben, maar niets is minder waar. Het is hoogzomer op de ankerplek bij Fort Monroe in Hampton. De bikini kan aan. Maar we moeten wachten op de CBP-ambtenaren en die kunnen we slecht in badkleding ontvangen. Dus opfrissen en een jurkje aan. Koen niet hoor 😉 . Het ankerbiertje moet ook wachten. Want inklaren met een alcohol-kegel kan vanzelfsprekend ook niet. We turen over het water of we een CBP-boot zien aankomen. Nee, nog niets. Het is bloedheet en benauwd. Op het land staan bomen langs de weg en in de tuinen. Echte bomen. Groene bomen. Loofbomen. Heel veel. Grote bomen. Fris groen. Het is een heerlijk uitzicht en ik voel me hier gelijk thuis. Dan zien we een CBP-auto rijden. De grote witte SUV stopt langs de weg naast de ankerplek. Dat zullen ze toch niet zijn? We hadden ze in een boot verwacht! Maar jawel hoor, het zijn de mannen die naar ons op zoek zijn. Koen vaart met de dinghy naar de kant en krijgt te horen dat we met de HM naar een dock moeten komen. Nou hadden we ons daar al een beetje op voorbereid. Paula en Jim vertelden ons namelijk dat zij (op een andere plek) met de boot naar een jachthaven moesten komen voor het inklaren. En aangezien wij geen zin hebben om daar geld voor uit te geven opperen wij om naar het fuel-dock van de nabij gelegen jachthaven te gaan. Dan kunnen we gelijk onze diesel- en watertanks bijvullen. En dan mogen we daar vast wel even blijven liggen om de vriendelijke grensbewakers te ontvangen op onze Hare Majesteit. Ja, prima, de mannen zijn het er mee eens dat we naar het F-dock gaan. Zo gezegd zo gedaan. Maar als we hebben aangelegd zijn er geen geüniformeerde mannen te zien. Koen gaat op onderzoek uit. Blijken ze bij het F-dock in de jachthaven (daar zijn de steigers benoemd met de letters A, B, C…) op ons te staan wachten. Ze komen vlot onze kant op en komen aan boord. Tenminste, dat was het idee. De ene gast is lang, slank en heeft aan zijn naam te zien Italiaanse roots. De andere is groot, breed, zwaar en Afro-Amerikaans. De dunne spriet klimt behendig aan boord en vraagt of hij binnen mag kijken. Jawel hoor, ga gerust je gang. De, naar eigen zeggen 300-pounder, moet heul veul moeite doen om aan boord te komen. Na vier pogingen staat hij op het gangboord en zweet peentjes. Het is een hele nette en verzorgde stoere vent. Maar hij is nu zo aan het transpireren dat de druppels op het dek vallen. Hij probeert de straaltjes zweet die van zijn ultra kort geknipte hoofd naar beneden lopen met een zakdoek op te deppen maar het blijft maar lopen. Hij verontschuldigt zich minstens drie keer dat ie ons dek vies maakt. Ik verzeker hem drie keer dat het niet erg is. ‘Uh, het is een dek van een boot beste man, dat spoelt bij de eerstvolgende regenbui of plens zeewater wel weer schoon’ denk ik bij mezelf. En als ik het wel erg zou vinden dan zou ik het bovendien ook niet zeggen want deze gasten moet je toch een beetje te vriend houden. Koen vraagt aan ‘mr. Tyson’ of hij ook binnen wil kijken. “Oh no!”, reageert hij stellig. Hij vindt het wel prima hier op het gangboord, wil zo snel mogelijk weer van boord en stelt voor dat we de verdere papierwinkel in de airco van het restaurant van de jachthaven afhandelen. Mr. Bianchi heeft binnen blijkbaar geen smokkelwaar aangetroffen. Hij vraagt nog wel even wat er in de grote zwarte zakken zit die in de achterhut staan. Nu staat daar heel groot ‘foldable bicycle’ op en daar is toch geen woord Chinees bij… Als ik dat zeg gelooft hij me dan ook gelijk. Hij steekt zijn neus nog wel even in een andere zak, die met vuile was… en springt vervolgens energiek van boord. Nu mr. Tyson nog. De stagen en zeereling hebben het zwaar te verduren maar het lukt hem om zonder kleerscheuren weer op de steiger te belanden. We hebben een beetje met hem te doen en bieden de heren daarom in het restaurant maar een drankje aan en nemen er zelf ook één. Nog steeds onszelf van de goede kant laten zien, dus een mega-glas cola voor de neus. Ik gooi al mijn charmes in de strijd bij mr. Bianchi en probeer visa-stempels in onze paspoorten te krijgen met een verblijfsduur van 9 maanden (de standaard is 6 maanden). Het is nu al bijna half juni, we willen nog naar New York en terug naar deze regio. We denken de HM een maand of drie op de wal te moeten zetten om naar Nederland te gaan en de hele grote klus- en onderhoudslijst af te kunnen werken. Meneer heeft vast die oranje roest-strepen op de zijkant van de boot gezien? En daarna zouden we heel graag via de Intercoastal Waterway, een stelsel van rivieren en kanalen vanaf Norfolk naar het zuiden van Florida, afzakken naar Key West en zoveel mogelijk van het prachtige en interessante Amerika zien. Nu is een flink deel van de Amerikanen zo vaderlandslievend als de pest en megatrots op hun continent. En dat verwacht ik van grensbewakende ambtenaren dan ook zeker. En yes!, mijn charme-offensief werkt. Mr. Bianchi gaat zijn baas bellen en komt terug met goed bericht. Het is mogelijk. Alleen nog even de vraag of we wel voldoende financiële middelen hebben om onszelf gedurende die 9 maanden te bedruipen. Maar natuurlijk lieve man, geen enkel probleem! Hoezo zouden we ook een ander antwoord geven?… 😉  Helemaal happy varen we de HM terug naar de ankerplek. ‘Tsssssssss’, eindelijk kan het welverdiende ankerbiertje open. Maandag naar Norfolk om de cruising permit (een soort vergunning om in de US te mogen rondvaren met je eigen boot) bij Customs te regelen en dan kunnen we Amerika gaan verkennen.

In Norfolk liggen we midden in de stad maar toch rustig. Om in het stadscentrum te komen moeten we met de dinghy een brede rivier over waar af en toe grote zeeschepen passeren. Maar het is goed te doen (met rustig weer).

Customs huist in een prachtig oud gebouw. Helaas mogen we niet door de hoofdingang onder de imposante Romeinse zuilen naar binnen maar worden we verwezen naar een zijdeurtje. De riedel van formulieren invullen, contant en gepast $ 19,- betalen (want dat gaat in een envelopje bij je formulier (zelfs hier, in modern Amerika, in 2021!)) en wachten. De behandelende officer heeft nog wel even één vraag. We hebben een Nederlands paspoort en de boot is ook in Nederland geregistreerd. Maar bij onze nationaliteit is ‘Dutch’ ingevuld. “What does that mean?”… We zijn ook hier blijkbaar weer de eerste Nederlanders die hier ooit het land zijn binnengekomen. Ok, Yvonne, niet meer doen. Gewoon overal ‘Netherlands’ invullen, anders wordt het veel te ingewikkeld. Ons pieplandje is nu eenmaal niet wereldwijd bekend. En toegegeven, het is ook verwarrend dat in The Netherlands ‘Dutch people’ wonen.

We lopen de deur uit met een permit en wandelen de big city in. Grote, hoge kantoren en winkelcentra. Maar ook gezellige, nostalgische straatjes met terrassen en restaurants. En wat is het hier netjes! Bijna geen zwerfafval, fatsoenlijke wegen, trottoirs en fietspaden. Stenen huizen. Goed onderhouden. Modern. En de winkels liggen hier vol met vanalles wat we nodig hebben. En ook nog eens van goede kwaliteit. Een nieuwe fluitketel want de huidige is zo lek als een mandje. Een leren hoesje voor de telefoon en een nieuwe USB-oplader want die dingen gaan om de haverklap stuk op een zilte boot. Een leuk bloesje en een fleurig t-shirt en, en, en… Ik word er een beetje hebberig van. En daar sta ik dan zelf weer een beetje van te kijken. Het is ook zoooo lang geleden dat we al dit soort dingen gewoon voor het uitzoeken hadden…

Zelfs in de supermarkt is er keuzestress. Willen we even snel wat boodschapjes doen, is het eerste wat ik zie een enorme groente- en fruitafdeling. Ik weet gewoonweg niet wat ik moet kiezen. En daarom liggen er weer de standaard bananen, tomaten, paprika’s en pompoen in het karretje. Volgende keer beter. Ik moet het even laten bezinken dat ik ook voor asperges, witlof, aardbeien, druiven en groene, rode, roze of gele appels kan gaan.

We kunnen in de supermarkt zelfs een vaccinatie halen. Daar maken we ook maar meteen een afspraak voor. We kunnen het maar gehad hebben. Maakt het reizende leven hopelijk de komende tijd weer iets makkelijker. Gewoon tussen de stellingen vol met huis-tuin-en keuken-geneesmiddelen, alsof je in de Kruidvat zit, wordt de eerste dosis Moderna in onze armen gejast. Het zal toch wel echt zijn? S’avonds weet ik zeker van wel. Ik voel me toch een partij beroerd. Alsof ik Covid heb, logisch natuurlijk. Ook de volgende dag voel ik me nog ellendig. En ik heb daarna een hele week een geblesseerde rechterarm, alsof iemand met een enorme klap van een moker de bovenspieren heeft toegetakeld. Terwijl het prikje uiterst zachtaardig gezet werd. Het is voor het goede doel denk ik maar.

Norfolk ademt ‘navy’. De stad heeft de grootste marinebasis ter wereld. We varen tientallen gigantische oorlogsschepen voorbij op de rivier van Hampton naar downtown Norfolk die ons een beetje doet denken aan de Waal. We bezoeken de USS Wisconsin waar tegenover we voor anker liggen. Een slagschip, in dienst gesteld in 1944, ingezet in de Tweede Wereldoorlog in Azië en de Koreaanse oorlog. Na 30 jaar uit dienst te zijn geweest werd ze opnieuw in dienst gesteld in 1986, gemoderniseerd en vocht ze begin 1991 mee in Operatie Desert Storm. Bij mij nog helder op het netvlies. Diep onder de indruk en grote verwarring brachten destijds de eerste televisiebeelden van deze oorlog. Het battleship is nu verworden tot museumschip met een prominente plaats langs de skyline van Norfolk. Veteranen uit alle gelederen van het Amerikaanse leger werken er als vrijwilliger en leiden je er rond. Nu zijn wij voor ‘peace, not war’, maar eerlijk is eerlijk: het is een indrukwekkend bezoek. Het schip is enorm, de geschiedenis is er jammerlijk één van oorlog, maar respect voor de opvarenden is ongeacht politieke voorkeur gepast. We verbazen ons over de perfectie waarmee de Amerikanen een museum of tentoonstelling inrichten. De Amerikaanse vlag die heilig is. De vele prachtige nostalgische huizen waarvan de bewoners de ‘stars & stripes’ met heel veel bravoure aan de vlaggenstok hebben wapperen en/of als rozet aan hun veranda. De mensen op straat zijn behulpzaam. Willen ons graag laten meegenieten van alles waar zij zo trots op zijn. We moeten er even aan wennen. Verdiepen ons wat verder in de Amerikaanse historie. Want eigenlijk weten we daar maar weinig van. Of liever gezegd, dit land is zo groot, er is hier de afgelopen 500 jaar zoveel gebeurd en de geschiedenislessen van school zijn zelf alweer geschiedenis. Gelukkig hebben we Google. En Wikipedia. En uitgebreid beschreven gebeurtenissen op de perfect onderhouden borden op iedere historische plek die we tegenkomen.

Norfolk heeft ook een leuk art-district. Hele creatieve street-art, muurschilderingen, graffiti. Eén van de kunstwerken is op de muur van een uit de kluiten gewassen gunstore, een wapenwinkel. Oei, wat zijn we nieuwsgierig naar wat zich daarbinnen afspeelt. Zouden we naar binnen durven? Zouden we naar binnen mogen? Koen vindt van wel. En dus gaan we het ‘gewoon’ doen. Ik verwacht dat er een security guard zal staan en dat we ons moet legitimeren en door een scanner moeten. Koen duwt de deur open en loopt naar binnen. Ik er schoorvoetend achter aan. In het halletje geen bewaking, geen metaaldetector of scanner voor onze rugzak. Het is alsof je de Hema binnen loopt. Het is binnen best druk. Achter de toonbank meerdere medewerkers. Een jonge gast vraagt of hij ons kan helpen. “Oeps, uh, nou, uh, we zijn eigenlijk alleen nieuwsgierig omdat we dit in Nederland, waar we vandaan komen, niet kennen”, stotter ik een beetje blozend. “Oh, no problem! Take a look. Do you want to hold a gun? That’s no problem too.”
Koen en ik kijken elkaar verbaasd aan terwijl de gast een flink automatisch vuurwapen van de wand haalt en bij Koen in zijn handen drukt. Die vindt het wel interessant. Ik ben flabbergasted. Verbaasd is heel zacht uitgedrukt. Ik vraag de medewerker of wij er één zouden kunnen kopen. Of je er een vergunning voor moet hebben? Nee hoor, met een legitimatiebewijs mag je er zo één aanschaffen. Maar uh…, waar gebruiken jullie zo’n wapen dan voor? Hoezo wil je zo’n ding überhaupt kopen? “Nou, voor verdediging, of voor de jacht, of om op een schietbaan mee aan de gang te gaan, of ja, gewoon…” Ik vind het heel apart en óngewoon. Natuurlijk wisten we van de voor ons uitzonderlijk vuurwapenwetten hier. Maar als je er dan zelf ‘live’ tussen staat is het ineens allemaal anders. Dan is het ineens heel echt en heel eng. Men mag hier gewoon met een wapen over straat. En echt alles is hier te koop. Van messen, revolvers, pistolen, klassiek en modern, tot karabijnen, automatische vuurwapens, munitie en geweren. Of zoiets, geen idee hoe die dingen allemaal heten. De hele winkel hangt en ligt er vol mee. Voor minder dan 500 dollar heb je al een heel dodelijk wapen. Koen geeft het wapen terug en we wandelen beduusd en met een hoofd vol vraagtekens door de winkel. Er is maar één ding heel mooi hier. Dat zijn de prachtig glimmende kluizen die rechtstreeks uit een Western-film lijken te komen. Om de wapens veilig in op te bergen en wat mij betreft er nooit meer uit te halen.

Ons meest noordelijke doel is New York City. We stellen onszelf ten doel om daar voor 4 juli te zijn. De 4th of July, de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag waarop de goedkeuring van de Onafhankelijkheidsverklaring op die dag in 1776 door de afgevaardigden van 13 koloniën, wordt herdacht en gevierd. De dag die in NYC wordt afgesloten met een gigantische vuurwerkshow. Tenminste, dat lezen we op internet en dat lijkt ons wel gaaf om mee te maken. En het schijnt, ondanks Covid, door te gaan. Met de pandemie gaat het hier blijkbaar de goede kant op. Met de bestrijding daarvan bedoel ik dan. Mondkapjes zijn in openbare gebouwen en winkels nog verplicht voor niet volledig gevaccineerden. Verder lijkt alles weer bijna zijn normale gangetje te gaan.

Omdat er heftig weer met zware windstoten op komst is besluiten we  het traject naar NYC niet over zee te starten, maar via het opvaren van de Chesapeake, een soort van enorme riviermonding. We willen namelijk niet langer in Norfolk blijven treuzelen. Via de Chesapeake, het Chesapeake-kanaal en de Delaware-rivier kunnen we dan, weliswaar met een grote omweg, tientallen mijlen over zee én daarmee ook het slechte weer omzeilen. En het schept de mogelijkheid om een bezoekje te brengen aan de bootwerf in Deltaville, gelegen aan de Chesapeake, waar we een plaats gereserveerd hebben voor half/eind augustus voor het onderhoud aan de HM. Toch fijn om even poolshoogte te kunnen nemen op de plek waar we straks enkele maanden gaan vertoeven.

We varen over chocoladebruin water langs lentegroene waterkanten, met zorg gemaaide gazons, gigantische landhuizen. Er is weinig wind, het is veel motorzeilen. Als het echt windstil wordt lijken tientallen vliegen onze boot te hebben uitgekozen als rustplaats. Gek worden we ervan. Als ik er één dood sla zie ik vijf nieuwe. Ze vinden het ook nog eens leuk om ons te prikken. Tegen de avond heb ik een compleet vliegen-mortuarium aan boord. Bij het zakken van de zon zijn de vluchtelingen de HM gelukkig weer zat (mede omdat er dan wel wind is). We liggen voor anker in de kleine, ondiepe baai bij Marina Deltaville. Vlak water, lekker rustig, heerlijk slapen, morgenvroeg Formule 1 kijken. En daarna maar weer eens verdere trajectplannen maken. We willen immers met de HM een rondje om het Vrijheidsbeeld varen en saampjes de Big Apple onveilig gaan maken.

5 gedachten over “Echte bomen, juni 2021

  1. Jeroen Beantwoorden

    Machtig leuk om dit weer te lezen en wat een avonturen.
    Via de AIS volg ik jullie ook dus weet waar jullie uithangen ;).
    Heel veel plezier en fijne reis verder toegewenst. Bemanning “Reed van Batavia” , Grave.

  2. Carolien Beantwoorden

    Hallo lieve zeeluitjes. Weer een heerlijk verhaal, met griezelingen tussendoor.
    Nu ga je weer een ander gevoel krijgen. Vaste land onder je voeten.
    Succes met het onderhoud aan jullie voor.
    Geniet van alle mooie dingen die je tegenkomt.
    Liefs en hel veel groeten van Peter en Carolien xxx

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.