No problem, 03-05-2019

We zijn weer onderweg. Dit seizoen maken we mijlen. Als we vanuit Cienfuegos in Cuba vertrekken hebben we er vanaf eind december al ruim 2000 (ongeveer 3700 kilometer) onder de kiel zitten. En voordat we in Bonaire zijn, de overzomerplaats van dit seizoen, zullen er nog zeker 1500 mijl bij komen. We zijn vanuit Cuba op weg naar de Kaaimaneilanden, naar Cayman Brac, het meest oostelijke kleine eiland van de groep. Halve wind, golven van een metertje of twee. Behoorlijk wat buiswater, maar de tocht van naar verwachting twee etmalen, verloopt voorspoedig. Gedurende de tweede nacht wordt het almaar onstuimiger. De wind trekt aan en komt niet meer onder de 20 knopen. We krijgen enkele regenbuien over ons heen en in de kuip is inmiddels alles nat en plakkerig. Met gereefde zeilen (de zeilen iets kleiner dan normaal gesproken, deels ingerold) hebben we nog steeds een lekker gangetje van tussen de 4 en 5 knopen. Taurus doet het werk, van slapen komt vanwege de weersomstandigheden niet heel veel, het is behoorlijk humpy bumpy. Vroeg in de ochtend komen we aan. Bij Cayman Brac. We roepen Port Control op via de marifoon. Zij adviseren ons een mijl of zes verderop een mooring op te zoeken en ons daarna weer te melden. Aanleggen bij de steiger voor het inklaren is te gevaarlijk omdat er behoorlijke golven staan door de harde wind. Bij het mooringveld aangekomen constateren we samen dat het niet te doen is om hier te gaan liggen. We moeten goed zoeken om de mooringboeien te kunnen zien. Ze verdwijnen telkens achter de golven. En daar moeten wij de HM dan aan vastleggen? Nee, dat gaat ‘m niet worden. Ik roep de vriendelijke dame van Port Control opnieuw op en vaag of we ook aan de zuidkant van het eiland mogen gaan liggen. “Ja hoor! No problem. Zoek maar een een mooringboei die jullie het beste past.” De wind uit oostnoordoost loeit nog steeds om onze oren als we de zuidoospunt van Cayman Brac ronden. En dan komen we in rustiger vaarwater. Dat moet immers in de luwte liggen. Maar nee hoor. Ook aan de zuidkant staat het golfslagbad aan. De wind blaast aan beide kanten van het eiland even hard en stuwt de zee flink op. Vermoeid knopen we de HM toch maar vast aan één van de mooringboeien. De boeg van onze lady wordt constant omhoog gegooid door de kracht van het water. En komt vervolgens weer met een bons naar beneden. We zitten samen in de kuip en kijken elkaar eens diep in de ogen. Moeten wij hier uitrusten? Dit is nog vermoeiender dan zeilen…

We overwegen naar Grand Cayman te varen. Dat is met de wind mee, ongeveer 90 mijl naar het westen. Het zeiltochtje zal vlot en niet al te oncomfortabel zijn. En op Grand Cayman is een beschutte ankerplek. Maar het is ook 90 mijl, oftewel bijna 24 uur, de ‘verkeerde kant’ op. We zijn immers nog steeds aan het reizen, maar ook al een beetje op de terugweg naar de ‘overzomerplaats’ Bonaire. En hiervoor moeten we oostwaarts, niet westwaarts.

En zo gebeurt het dat ons verblijf op de Kaaimaneilanden slechts één heel uur duurt. Ik roep de lieftallige dame nogmaals op en vertel haar dat wij toch niet willen inklaren en de eilandengroep gaan verlaten. “No problem!” De zeilen worden weer gehesen. Een tochtje van 135 mijl tegen de wind en stroming in voor de boeg. Het is inmiddels 11.00 uur. Koen gaat direct slapen want hij had afgelopen nacht de laatste wacht en is al sinds 4.00 uur wakker. Ik probeer me zo comfortabel als mogelijk is in een sterk hellende boot, te nestelen in de kuip. Ik zie constant golven van een metertje of drie op me af komen. Samen met de huilende wind en de schuimkoppen die striemend worden weggeblazen ziet het er, ondanks het Caribische zeeblauw en een heerlijk zonnetje, angstaanjagend uit. Ik wil het eigenlijk niet meer zien en installeer de kussens daarom op de kuipvloer zodat ik de zee uit mijn gezichtsveld verdwijnt. Via de instrumenten (windmeter en plotter) hou ik alles scherp in de gaten. In de loop van de dag neemt de wind af en de golfslag ook. De tocht kenmerkt zich verder door vreemde stromingen en daarmee rare koersen, reven en ontreven, motor aan, motor uit. Maar na 2 etmalen is Jamaica in zicht. Het eiland van relax, jah man, ganja, rum, reggae en no problem.

We zijn in Montego Bay en zodra we aan land komen worden we bestookt door vriendelijke Jamaicanen, al dan niet met indrukwekkende dreadlocks. Taxi’s toeteren de hele wandeling door naar ons. De allerbeste ganja wordt tegen een spotprijs (volgens de verkoper althans) aangeboden en als het aan de breedlachende zwarte mannen ligt dan gaan we de komende dagen het hele eiland over met één van hun fantastische tourtjes. In het drukke, smoezelige centrum van de stad lijken we wel met honing besmeerd. Als bijen zoemen de verkopers van ‘wat dan ook’ om ons heen. Eten, drinken, kleding, fruit, onderbroeken tentoongesteld op het hoofd van een jongeman die met rood doorlopen ogen stoned de wereld in kijkt. We kopen wat fruit en brood bij de vele straatventers. Proberen te onderhandelen want we vinden alles maar belachelijk duur (zoals altijd?….) maar de verkopers zijn standvastig. We hebben Jamaicaanse dollars gepind en één van onze Amerikaanse zeilbuurtjes vertelde ons dat 100 Jamaica dollars ongeveer gelijk is aan 1 US dollar. En dan is 200 dollar voor een pondje tomaten en 750 dollar voor een grote ananas toch best aan de prijs. De volgende dag constateren we tot onze grote blijdschap dat 100 Jamaicaanse dollars gelijk staat aan slechts EUR 0,75. Kunnen die Amerikanen eigenlijk wel rekenen of hebben ze allemaal zo’n dikke portemonnee dat omrekenen met een hele dikke natte vinger kan?  

“Taxi?” “No thank you!” De forse taxichauffeur poseert zich breeduit voor ons. “Well, than give me 2 dollar for a beer!” Wat? Hebben we dat goed verstaan? Wat is dat nou weer voor een reactie? Waarom zouden wij voor hem een biertje moeten betalen? Hij is niet eens vriendelijk. We lopen verder. Er wordt weer geroepen. En groepje aangeschoten mannen hangt tegen de muur van een houten barretje dat bijna natuurlijk de kleuren rood, geel en groen heeft. “Hello, where you’re from?” “Holland.” “Hey, hey, listen!” Maar we hebben geen zin om te luisteren. Dan roept één van de gasten: “I like the lady.” En vervolgens of ik misschien zin heb in zijn grote…. En in dit geval bedoelt hij geen joint… Ik ben verbijsterd. En weet even niet wat ik moet zeggen dan alleen maar: “no!!” Ik ben er eerlijk gezegd helemaal klaar mee. Ik wil terug naar de veilige en relaxte HM. Is dit nu het relaxte en prachtige ‘no problem’-Jamaica wat ik nog in mijn hoofd had van 20 jaar geleden? Pfff, niks aan hier. Uiteraard blijkt het uiteindelijk allemaal toch heel anders. Maar wat blijft is dat de eerste indruk niet geweldig plezierig was en ‘you can never change a first impression’.

Na wat gedoe met de Customs-officer die er zelf volgens mij geen snars van begrijpt, krijgen we toestemming om langs de noordkust richting Port Antonio te zeilen. Voor de eerste overnachting stoppen we in Falmouth. Het is grijs en het regent als we de baai achter het rif in varen. We liggen er helemaal alleen voor het strand van een mooi resort en verder vooral heel veel groen om ons heen. En een groot dock wat volgens de verhalen van de Amerikaanse Rose & Dan, die we in Montego Bay leerden kennen, gebouwd is voor cruiseschepen die er echter nooit komen. 

We slapen heerlijk. Het is een rustige baai en alleen het ruisen van de zee en de kapotslaande golven op het rif vullen de nacht. Als ik de volgende ochtend op sta hebben we een kleine 7000 buren op 500 meter afstand. Er liggen twee enorme cruiseschepen aan het dock. Niet dat we daar verder iets van merken, er staan namelijk ook tientallen bussen en taxi’s klaar om al die cruisepassagiers naar één van de toeristische attracties in Jamaica te brengen. Wij duiken het heldere water in en snorkelen aan de buitenkant van het rif. Het is er prachtig. Mooi koraal en veel visjes in alle kleuren van de regenboog. Het was alweer te lang geleden dat we de onderwaterwereld bezochten. We genieten er van!

In de volgende baai is iets vreemds aan de hand. Er is een prachtig strand aan het kristalheldere water. Met van die hemelbedden en grote rieten parasols op het fijne witte zand. Je betaalt 10 dollar entree en uiteraard mag je geen eigen drank en koelboxen meenemen. Een biertje kost er 5 dollar vertelt één van de medewerkers ons als wij nieuwsgierig onze neuzen door het hekwerk steken. Het strand is niet megadruk, maar best gezellig bezet. En er zijn alleen maar locals. De jetset van Jamaica? En je kunt er dolfijnen voeren en zien springen want die worden voor het strand in een afgebakend en door kunststof steigers omgeven basin gehouden.  Het openbare en dus gratis strand voor de locals is daarentegen klein. Maar met evenzo mooi poederachtig zand en omgeven door bouwvallige houten restaurantjes en barretjes. Een heel sfeervol plekje waar we samen met andere zeilers genieten van Jamaicaanse Red Stripe biertjes. We hebben de indruk dat we er meer voor een biertje betalen dan de lokale bevolking, maar ach het is nog steeds redelijk betaalbaar. 

Omdat we zo overhaast naar Jamaica zijn gevaren hebben we nauwelijks voorbereidingen getroffen. De trouwe lezers weten inmiddels dat wij sowieso niet zo’n hele goede ‘voorbereiders’ zijn, maar normaal gesproken lezen ons we toch wel altijd in voordat we vertrekken naar het volgende land. Dat hadden we willen doen op de Kaaimaneilanden, maar dat kwam er dus niet van. Maar ook hier op Jamaica maakt Digicel internetten tot een makkie en dus sla ik aan het googelen. Wat heeft Jamaica ons te bieden en wat is goed bereikbaar vanaf de noordkust? 

Jamaica = Bob Marley. Is dat alleen in de ogen van de rest van de wereld? We horen hier eigenlijk relatief weinig reggae. Het is vooral veel kermisachtige hiphop, dancehall, soca of hoe het ook allemaal mag heten. Het is in ieder geval altijd op vol volume en overal én tot diep in de nacht. De winkels hangen wel vol met de beeltenis van Bob op whatever je kunt verzinnen. Maar dat is allemaal voor de toeristen. Wij willen de kans niet voorbij laten gaan om het geboortehuis en het graf van de grote legende te kunnen bezoeken. Op zoek dan maar naar een taxichauffeur die ons naar het beroemde ‘Nine Mile’ wil brengen, het gehucht in het bergachtige achterland van de baai van Ocho Rios waar we wederom naast 2 cruiseschepen voor anker liggen. We zijn het er over eens dat d chauffeur een jonge coole gast moet zijn. De eerste die ons aanspreekt valt wel redelijk in die categorie. De nette Dwayne wil ons wel voor 150 US dollars naar het 45 kilometer verderop gelegen plaatsje brengen (en weer terug). En dat is een ongelofelijk mats-prijs, want de cruisepassagiers betalen 200 dollar. Nou, dan zijn die mooi gek constateren Koen en ik saampjes. Koen slaat aan het onderhandelen. En ik bedenk me ondertussen dat een dagje Efteling eigenlijk nog helemaal niet zo duur is.

Koen komt er niet uit met de jonge Dwayne, die vijf kinderen heeft en toch echt wat moet verdienen, en we zetten onze zoektocht voort. Dat is niet moeilijk want een paar honderd meter verder worden we aangesproken door een loensende, beetje slordig uitziende vijftiger. Hij biedt ons aan dit en dat en zus en zo te laten zien voor 80 US dollar. Wederom een ‘special price’ voor ons. Wat een geluksvogels zijn we toch. Ik zeg heel kordaat: ”je krijgt 80 dollar van ons als je ons naar Nine Mile brengt en weer terug.” De man lacht ons bijna in ons gezicht uit en verklaart dat dat toch minsters 150 dollar moet opbrengen. Het is heel ver en alleen aan brandstof is hij al 80 dollar kwijt. Ok, dan niet. We willen namelijk helemaal niet met deze chauffeur mee want hij komt helemaal niet vriendelijk over en voldoet ook geenszins aan de voorwaarden van de jonge coole gast. Wij lopen weg en dan roept, de door ons gedoopte Joe (omdat we zijn naam niet te weten komen) dat hij ons wel voor 80 dollar wil rijden. “Kom maar gauw mee!”, en hij loopt abrupt en geïrriteerd richting zijn taxi. Koen en ik kijken elkaar beteuterd aan. Dat was niet de bedoeling. We wilden hem juist afschepen, niet tot een overeenkomst komen! Maar we vinden ook dat we uit goed fatsoen niet anders kunnen dan met hem meelopen naar zijn uitgeleefde roestbak waarvan de binnenbekleding van de portieren grotendeels ontbreekt, de tankdop alleen van binnenuit geopend kan worden en de vering al heel lang niet meer door de keuring komt. Maar er staat een bordje ‘taxi’ op en ook het taxivignet van 2019 is op de voorruit aanwezig. We gaan op weg. Eerst tanken, voor een paar dollar, de rest doet hij onderweg want daar is de benzine veel goedkoper. Ondertussen blijft hij maar vragen waarom we vanmiddag (het is nu ongeveer 13.30 uur) naar Nine Mile willen. We kunnen toch ook morgenochtend gaan en vanmiddag leuke dingen in Ocho Rios gaan doen? En het begint ook nog te regenen. En, en, en… Koen vertelt hem duidelijk dat hij ons er ook uit mag zetten en dat het niet ‘moet’. Dan blijft Joe even stil. Vervolgens valt hij in herhaling voor wat betreft de prijs. Het is echt een belachelijk lage prijs en hij verwacht wel een goede fooi. Koen blijft herhalen dat we een prijs overeengekomen zijn, ik ben iets toegeeflijker en zeg hem dat we aan het eind van de dag zullen zien of hij goede service heeft verleend. 

De route is prachtig. Door het tropisch regenwoud. Lichtgroen, donkergroen, mosgroen, grasgroen, legergroen, zeegroen, lentegroen, olijfgroen, noem maar op, alle tinten groen zijn vertegenwoordigd. De uitzichten zijn magnifiek. De weg daarentegen is abominabel en dat is dan nog zacht uitgedrukt. Ik word op de achterbank zonder vering compleet door elkaar geschud. Een kermisattractie is er niks bij. Onze Joe rijdt behoedzaam, of traag, het is maar hoe je het bekijkt. Hijzelf gaat voor het eerste want hij verklaart ons dat hij elke dag tot Onze Lieve Heer bidt dat deze hem en zijn passagiers veilig thuis brengt. Nou, dat moet goed komen dan. Na ruim 2 uur (45 kilometer was het…) worden we gedropt voor de kassa van het huis van Bob Marley. Kassa? Wij dachten in een dorpje terecht te komen waar we vrij konden rond wandelen en wellicht een kleine entree zouden moeten betalen voor het tot museum omgebouwde geboortehuis van de jonge Bob. Alles wat met de reggae-grootheid te maken heeft is echter als een openluchtmuseum ommuurd en we kunnen er met een tourtje alles gaan bekijken. Dat tourtje van 45 minuten kost 25 US dollar. Per persoon wel te verstaan. Ja, de Efteling is echt goedkoop… Ik vind het belachelijk en laat dat ook duidelijk merken. Maar ja, wat doe je? We hebben toch geen 80  dollar aan taxikosten uitgegeven en 2 uur gehobbeld om vervolgens alleen een muur te zien!?

De rondleiding begint in de bar. Of we wat willen drinken? Biertje voor 7 euro, cocktail voor 10. Nou laat maar, begin maar bewoon met die rondleiding want onze Joe heeft ons op het hart gedrukt niet te treuzelen en na afloop gelijk terug te komen naar zijn auto. De rondleiding is goed. En fijn. Vooral omdat de begraafplaats van zowel Bob als zijn broer en die van hun moeder met veel respect worden betreden. De gids is een aardige rastafari die de sobere leefstijl van zijn geloof echter niet zo serieus neemt gezien zijn hippe kleding en designer zonnebril. Zijn verhaal is goed en respectvol. En hij zorgt ervoor dat ik na drie kwartier met een tevreden gevoel buiten sta. De entreeprijs alweer bijna vergeten…

Hop, bij Joe in de auto en terug naar de kust. Bergafwaarts, dat moet vlot gaan. Het gaspedaal lijkt echter zeker niet harder ingedrukt te worden dan op de heenweg. Zo langzamerhand begint het te schemeren en de voet op het rempedaal lijkt de overhand te krijgen. De laatste 10 kilometer is het echt donker, mede veroorzaakt door de op de heenweg zo prachtige dichtbegroeide kronkelweg door Fern Gully, een tunnel van bomen en varens. De grote lichten van onze taxi gaan uit en aan en uit en aan. De weg slingert en onze Joe ook. Hij rijdt nog slechts 10 km per uur. Er hangt inmiddels een hele slinger auto’s achter ons aan die toetert en knippert en af en toe is er één die een levensgevaarlijke manoeuvre uithaalt om ons in te kunnen halen. Joe noemt ze crazy, maar zelf rijdt hij voortdurend op de verkeerde weghelft. Ook als hij wordt ingehaald. Dan volgt weer een scherpe bocht naar links, Joe neemt de buitenbocht (ze rijden hier links moet je weten). Er komt een minibus de bocht om. Ik zie Koen, die naast Joe zit, zijn hand uitsteken en bijna een ruk aan het stuur geven. Hij trekt op het laatste moment zijn arm terug als hij ziet dat Joe zelf naar links stuurt en het op een haar na goed gaat. Dat was een hele echte bijna-botsing! Koen vraagt met bonkend hart aan onze grote vriend of hij misschien niet goed kan zien in het donker. Nee hoor, hij ziet goed. Het zijn al die anderen die niet kunnen rijden… Ja, ammehoela, niet dus, deze chauffeur blijkt gewoon nachtblind. En dat was natuurlijk ook de reden van zijn aandringen om morgenvroeg naar Nine Mile te gaan. En dat we na de rondleiding moesten opschieten om terug te rijden. Joe bevestigt nog maar eens dat hij dagelijks bidt en ons veilig thuis brengt. Wat een opluchting, maar niet heus. Als we bij de baai waar de HM op ons ligt te wachten worden afgezet, geef ik hem 10 dollar fooi. Verdiend? Ja en nee. We zijn veilig thuis en het was een lange vermoeiende rit, ook voor Joe. Erg vriendelijk was hij echter niet, al deed hij gedurende de rit steeds beter zijn best. Joe kijkt naar het tiendollar biljet en zegt dan doodleuk: “I’d expected you’d give me more.” Koen springt bijna uit zijn vel, trekt mij uit de auto en beent met grote passen weg. “Ik heb al veel rare dingen gedaan in mijn leven. En ook gevaarlijke. Maar ik ben nog never nooit zo bang geweest als bij deze malloot in de auto!!” Hij kijkt hier zo serieus en bedremmeld bij dat ik er bijna van schrik. Het was een zenuwslopend terugtochtje, maar ik had mijn bril niet op en heb dus (gelukkig) iets minder mee gekregen van de gevaren…

Met ons Kingston-debacle ga ik jullie verder niet vermoeien. Het komt er op neer dat we op één dag ruim 6 uur in de bus hebben doorgebracht en 2 uurtjes in Kingston. Een miljoenenstad, een gekkenhuis, niet echt aan ons besteed. En een Maxime Verstappen, de chauffeuse van de bus die gedurende de op een rally lijkende terugrit continue met enkele passagiers in verhit debat was inzake ‘praise the lord’. 

De zeiltochtjes van de ene naar de andere baai zijn tegen de wind in. We kruisen wat af. Het is al lang geleden dat we op een dag zo vaak overstag zijn gegaan. 

Op Goede Vrijdag liggen we geankerd in een klein baaitje bij Oracabessa. Wat vissersbootjes en een klein strandje van een resort. Het is een rustig plekje. Tijdens onze wandeling naar het dorp komen we langs een kerkje. Uiteraard zou ik bijna willen zeggen want er zijn er duizenden op dit eiland. Niet zoals wij een kerk in Nederland kennen, het lijken meer gemeenschapshuizen. De deuren en ramen staan altijd open en er klinkt vrolijke gospelmuziek. We zijn allebei nieuwsgierig en besluiten een kijkje te nemen. In het kleine portaaltje staan twee dames met mooie hoedjes op. We krijgen een A4-tje met de liederen in de hand gedrukt en één van de dames vraagt welke plaats we willen. Voorin, achterin? Oeps, gewoon even achterin, we willen alleen maar even kijken. Ze wijst ons een plaats aan in één van de achterste banken. “Hee Yvonne, wat leuk. Heb je dat gezien? Het is karaoke.” Ik kijk mijn lieve schat verbaasd aan. En dan zie ik het ook. De gospelteksten worden geprojecteerd op de muur boven het koor. We kunnen dus meezingen. Nu zouden ze dat niet willen, want dat is iets wat ik echt niet kan, dus laat ik het maar achterwege. Net voordat de dienst echt begint verlaten wij het kerkje. Onze nieuwsgierigheid is bevredigd en gevolg is dat we onze katholieke opvoeding weer eens bespreken aan de hand van het Paasverhaal. En al zijn we geen kerkgangers (meer), ergens gloeit nog altijd een heel klein vlammetje uit het verleden betreffende alles wat er gaande is tussen hemel en aarde. En zo nu en dan mag dat best eens worden aangewakkerd.

Onze laatste stop in Jamaica is Port Antonio, gelegen aan de voet van de indrukwekkende Blue Mountains, bekend van de koffie. Een gezellige stop want we treffen er bij toeval Nick & Gema, de zeilers waarmee we oudjaar hebben gevierd in Puerto Rico. 

Koen gaat vroeg in de ochtend vissen. Gedurende alle dagtochten langs de Jamaicaanse kust hebben we zeggen en schrijven nul vissen gevangen en dat kan mijn visser niet goed hebben. Om 6.00 uur springt hij in de dinghy en een dik half uur later is hij alweer terug. Ik lig nog in bed en hij kruipt er nog even bij. “Vanavond vis?”, vraag ik nog een beetje slaperig. “Ja, een grote tonijn.” Ik lach en draai me nog even om. Grappenmaker, vanuit de dinghy gevangen zeker! Als ik even later op het zwemplateau sta om me te douchen zie ik een flinke tonijn in ons bijtje liggen. Verrek, hij heeft écht een tonijn gevangen. Met de kleine werphengel benen gehengeld. Wat een toppertje is het toch. Bij zonsondergang eten we sushi en drinken we cocktails. Samen met Nick & Gema en hun kids. Niet alleen de wolken vertonen een gouden randje. Ook deze avond.

Voordat we vertrekken willen we nog wat meer genieten van de overweldigende natuur. We maken een lange wandeling door het achterland van Port Antonio. Door de heuvels, langs bananenplantages, ontelbare kokospalmen en bloemen in volle kleurenpracht. We nemen de lokale minibus naar de Reach Falls. Een waterval die we deels beklimmen. Klauteren over grote keien, waden door het water, zwemmen in de heldere poelen, slingeren aan een liaan en een massage door in één van de vele stroompjes te gaan liggen. Het is er sprookjesachtig en er zijn bijna geen toeristen. We hebben onze eigen lunch meegenomen, de entree (via de ‘achterdeur’ door een ‘lokale gids’) is slechts 10 dollar en het retourtje met de bus slechts 3,75. Zie je, het kan ook betaalbaar op Jamaica. Daarvoor neem je dan wel op de koop toe dat het busje waar officieel 13 personen in kunnen wordt volgepropt met 19 personen. In Spanje heb je zogenaamde propers op het strand die mensen lokken naar restaurants en party’s. Hier heb je propers die zoveel mogelijk mensen lokken om in een busje te proppen 🙂 .

Port Antonio is een beetje een shabby plaats, oftewel eigenlijk gewoon ouwe zooi. Maar ook wel heel sfeervol en gezellig. Met fantastische groente- en fruitkramen. Goede vlees, heerlijk suikerriet-sap met gember voor de rumpunch. Een grote veilige en beschutte baai, waar je gemakkelijk met je dinghy naar de kant kunt. Megavriendelijke en relaxte Customs & Immigration. Die niet eens moeilijk doen dat wij verzuimd hebben ons te melden toen we bijna twee weken geleden in deze baai arriveerden. No problem!

Nadat we dezelfde route naar het centrum meermaals hebben afgelegd worden we voortaan herkend. En valt niemand ons meer lastig. Ze hebben hun vriendelijkheidskunstje allemaal al eens vertoond en aansluitend al dan niet iets aan ons kunnen slijten. Van ganja, tot mango’s, tot tourtjes naar de Blue Mountains. Ze worden nu echt vriendelijk. Gaan over op de echte social talk en we voelen ons hier steeds beter thuis. We werden gisteren zelfs bijna uitgenodigd voor een ‘gravedigging party’. Ja, je vertaalt het goed; een graf-graaf party. Als hier voor een overledene een graf wordt gegraven, door de familie, wordt dit omlijst met een feest. Rum en bier vloeien rijkelijk rondom de begraafplaats op deze reünie van de nabestaanden. Misschien zouden we dat in Nederland ook wat meer moeten doen. ‘Het leven’ vieren bedoel ik dan. En ook hier wordt op de dag van de begrafenis getreurd om het verlies. Maar degene die overblijven zijn weer opnieuw verbonden met hun ‘loved ones’.

Wij maken ons momenteel klaar voor vertrek. Over enkele dagen nemen we afscheid van Jamaica. Het laatste traject van dit seizoen in het vooruitzicht. Een dikke 500 mijl tegen wind en stroming in naar Puerto Rico. En van daaruit nog een kleine 400 naar Bonaire. De eerste 500 mijlen zullen er waarschijnlijk 1000 worden. Kruisend aan de wind langs de zuidkust van Haïti en de Dominicaanse Republiek. Twee landen waar we eigenlijk liever niet willen stoppen vanwege bedelarij en corruptie. Maar het zal een beproeving worden om bijna twee weken aaneengesloten ‘aan de wind’ te zeilen en te dealen met de stromingen. Maar wie weet? Misschien helpt het, inmiddels ook in ónze vocabulaire bovenaan staande: ‘no problem’. Alles zout? No problem! Moe van het balanceren? No problem! Nog een paar extra donkere nachtwachten? No problem! Moe maar voldaan aankomen in Puerto Rico? No problem!

7 reacties op dit bericht.

    A3 said:
    5 mei 2019 at 16:36

    Mooie belevenissen! Goede reis naar ons mooie eiland Bonaire. Leuk dat jullie bij ons overzomeren.

    Annie en Jan Janssen said:
    5 mei 2019 at 07:32

    Schitterend verhaal , spannend om te lezen
    groetjes van Jan en Annie

    Sandra en Marlon said:
    4 mei 2019 at 11:32

    Mooi verhaal weer! Hoeveel eetbaar vlees zit er eigenlijk aan een tonijn? Heel veel succes maar weer. Liefs van ons Xx

    Irene said:
    4 mei 2019 at 08:57

    Niet saai, niks saais aan jullie avonturen! Wat een lef en doorzettingsvermogen hebben jullie, en moed. Knap, ik heb bewondering voor jullie! En wederom bedankt voor het pracht geschreven verhaal en het delen van jullie reis, Xx Irene

    Roni said:
    4 mei 2019 at 08:55

    Mooi! xxx

    wilma said:
    4 mei 2019 at 08:35

    goede morgen wat een verhaal weer ik wens jullie veel succes en goed wind in de zeilen .dikke kus die je al zoveel kreeg.wilmolger

    Erik said:
    4 mei 2019 at 08:33

    Hoi Yvonne en Koen,
    Dat begon niet zo lekker. Mijn ervaring is dat het soms een poosje kan duren, om in een land wat te wennen en je draai er te vinden. En dat lees ik ook terug in jullie ervaringen.
    Oeps, 500 mijl kruisen, hoe blijf je scherp, hoe houd je de balans tussen hoogte halen en snelheid houden?
    Ik weet zeker dat jullie dat voor elkaar krijgen!
    Dank jullie voor jullie ervaringen.
    Ik wens jullie een fijne tocht naar de volgende ‘halte’.
    Groet, Erik

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.